Verkenning voor de Amerikaanse ambassade: Paleis voor de Verbeelding?

De Amerikaanse ambassade van architect Marcel Breuer aan het Lange Voorhout is verguisd en geliefd. Het gebouw heeft inmiddels de status van Rijksmonument gekregen. Nu de Amerikanen zijn verhuisd, en de hekken en politieposten rond het gebouw zijn weggehaald, ontstaan er nieuwe mogelijkheden voor deze centrale plek in Den Haag.

In het herbestemmingsscenario van het gebouw zet de gemeente in op het huisvesten van het Eschermuseum en een hotel. Maar zijn er ook andere invullingen denkbaar?

In deze kwestie de ideeën van Akiem Helmling en Christiaan Weijts voor het ambassadegebouw als Paleis voor de Verbeelding. 

Platform STAD organiseert op 8 mei een STADconsult over de herbestemming en de potentie van het ambassadegebouw voor Den Haag. Op deze middag gaan 15 experts op het gebied van architectuur, stedenbouw, cultuur, historie, hotelexploitatie en vastgoed met elkaar in gesprek. De uitkomsten van het consult zullen op deze site worden gepubliceerd.

Dit artikel liever in pdf lezen? Klik dan hier

Auteurs: Akiem Helmling (Instituut voor Kunst en Kritiek) & Christiaan Weijts (journalist NRC, Groene Amsterdammer)  

1.

De Amerikaanse Ambassade aan het Lange Voorhout heeft een unieke geschiedenis en nu het leeg is komen te staan, bevindt het zich op een kantelmoment. Voor de inwoners van Den Haag is het altijd een betonnen bunker achter hekken geweest: eerst als symbool van de Koude Oorlog, daarna van de terreurdreiging na 9/11.

Als je er nu langs loopt kun dat bijna tastbaar voelen. De zware hekken en dikke pollers zijn verdwenen. Het harnas en de ketenen zijn afgevallen. Het gebouw kan weer vrij ademen.

2.

In die adempauze is er een zeldzaam moment om iets werkelijk nieuws te laten ontstaan. Het gebouw kan nu de omslag maken van ontoegankelijk, defensief en gesloten, naar vrij, open en verbindend. Als stad van vrede en recht heeft Den Haag nu de mogelijkheid om die historische omkering te markeren.

Vergelijk het met het ‘Haus der Kunst’ in München, dat tot 1945 ‘Haus der Deutsche Kunst’ heette, en daarna bevrijd is van zijn nationalistische beperking. Het maakte een omslag van ‘Entartete Kunst’ naar avant-garde kunst.

Zoals in München is ook in Den Haag vrij snel het zinvolle besluit genomen om middels een nieuwe invulling een nieuwe betekenis aan de Amerikaanse Ambassade te geven, in plaats van de geschiedenis uit te wissen door het te slopen. Daarmee markeert het gebouw aan het Lange Voorhout een omslagpunt.

3.

Dit moment biedt tegelijkertijd de mogelijkheid om van het gebouw een plek te maken die betekenisvol is voor de inwoners van Den Haag. Er is nu een uitgelezen en zeldzame kans voor deze stad om een ruimte te laten ontstaan die voorbereid is op de toekomst, door in te springen op allerlei veranderingen in de wereld van kunst en cultuur, zoals die van het concept ‘museum’.

4.

In de ontwikkeling van het Museumkwartier speelt de herbestemming van de Amerikaanse Ambassade een sleutelrol. Daarom is het belangrijk om vanuit een masterplan te werken waarbij alle culturele instellingen in het gebied onderdeel van de planvorming zijn.

Binnen dit proces is het raadzaam om verschillende scenario’s door te denken, en niet overhaast te kiezen voor het meest voor de hand liggende. De vragen moeten zijn: Waar heeft de stad behoefte aan? Wat zijn de mogelijkheden van het gebouw? Welke vragen stellen de veranderende opvattingen over kunst en cultuur aan dit Museumkwartier en het Ambassadegebouw?

5.

Bij de ontwikkeling van het  Museumkwartier dient het aanbod van verschillende instellingen op elkaar afgestemd te worden. Het Gemeentemuseum, Het Mauritshuis, de Gevangenenpoort, het Literatuurmuseum / Kinderboekenmuseum, Het Nationale Theater, West Den Haag, Bredius en Museum Meermanno zijn allemaal op de een of andere manier bij de toekomst van het Museumkwartier betrokken. Samen kunnen zij naar een volledig Museumkwartier toewerken, dat een regionale, een landelijke en een internationale betekenis en uitstraling heeft.

6.

Een vaak genoemde lacune van Den Haag is het ontbreken van open debatcentra, zoals De Balie (Amsterdam) of Arminius (Rotterdam). Ook zijn er geen grotere culturele centra als De Tolhuistuin (Amsterdam), De Nieuwe Liefde (Amsterdam), LUX (Nijmegen) of De Pletterij (Haarlem).

De voormalige Ambassade kan uitstekend in die behoefte voorzien. Naast een eenentwintigste-eeuws museum kan het gebouw zo’n cultuur- en debatcentrum worden, en in die zin een aanvulling zijn op het nog te verrijzen OCC.

7.

In die nieuwe constellatie kan de voormalige Ambassade een plek worden waar de kracht van kunst centraal staat: de verbeelding, in de ruimste zin van het woord, niet beperkt tot specifieke disciplines of instituten.

De verbeelding is in de geschiedenis van de kunst en de wetenschap altijd de belangrijkste kracht geweest. ‘Logica brengt je van a naar b; verbeelding brengt je overal,’ stelde Albert Einstein. Het gebouw aan het Voorhout kan het Paleis van de Verbeelding gaan heten.

8.

In de twintigste eeuw kregen musea de rol om kunstwerken te collectioneren, documenteren, conserveren en aan het publiek te presenteren. Het museum van de twintigste eeuw heeft daarom een statische, verticale en sequentiële ordening.

In de eenentwintigste eeuw zullen musea veel meer dynamisch, horizontaal en simultaan zijn. Het museum is meer een netwerk dan een container. Het gebouw aan het Lange Voorhout heeft de potentie om die ontwikkeling te faciliteren.

9.

Het Paleis van de Verbeelding kan een verbindende plek zijn van allerlei bestaande instellingen. Het staat tussen enerzijds de makers en anderzijds de museale sector.

10.

In de herbestemming van het gebouw aan het Lange Voorhout dient zoveel mogelijk rekening gehouden te worden met de bestaande ruimtes, in plaats van, in het uiterste geval, alleen de gevel te laten staan en het gebouw binnenin helemaal opnieuw in te delen. Het motto van Marcel Breuer, de architect, was: “form follows function — but not always.” Je kunt hier een aansporing in lezen tot slim hergebruik van de bestaande ruimtes.

11.

Nationaal en internationaal zijn veel voorbeelden te vinden van het hergebruik van bestaande gebouwen met een culturele invulling. Neem bijvoorbeeld Wiels in Brussel (voorheen een brouwerij), ZKM in Karlsruhe (een munitiefabriek), of Cent Quatre (voorheen een begrafenisonderneming). Het interessante aan deze instellingen is dat ze allemaal een eigen specifieke uitstraling hebben, vooral omdat zij gehuisvest zijn in een locatie die niet bedacht, ontworpen en gebouwd werd voor deze functie.

Tegelijkertijd laten deze voorbeelden ook zien dat door het voortbouwen op het bestaande, een eigen authentieke plek kan ontstaan. Waarbij deze vaak door het publiek als authentieker wordt ervaren dan nieuwbouw, zoals bijvoorbeeld het Eye Museum in Amsterdam Noord.

12.

De voormalige Ambassade heeft alles in zich om uit te groeien tot zo’n authentieke, iconische plek. Iconen worden niet bedacht, ontworpen of gebouwd. Zij ontstaan met het verstrijken van de tijd, onafhankelijk van hun afmetingen. In het groot, zoals de Eiffeltoren of de Vrijheidsbeeld in New York. Maar ook in het klein, zoals de Bruder Klaus Kapelle in Wachendorf, het Pathé Tuschinski in Amsterdam. Vaak worden gebouwen iconen omdat de architectuur iets bevat dat andere gebouwen juist niet hebben.

13.

Marcel Breuer ontwierp het gebouw aan het Voorhout in 1959. Het heeft een unieke architectonische én inhoudelijke betekenis. Binnen het oeuvre van Breuer speelt dit gebouw een belangrijke rol: het is een van de eerste grote gebouwen die hij voltooid heeft. Tegelijkertijd maakt de bijzondere raam-/gevelconstructie het gebouw net zo speciaal als het museum MET-Breuer in New York. Dat gebouw is door Breuer oorspronkelijk voor het Whitney Museum ontworpen maar sinds dat verhuisd is, is het door het Metropolitan Museum onder de naam MET-Breuer in gebruik genomen.

Ook de consequent doorgevoerde, trapeziumvormige ramen geven het gebouw een iconische uitstraling. Deze uitstraling is misschien ook te verklaren doordat het door die ramen letterlijk uit een ander tijdperk lijkt te stammen, een tijd waarin nog niet alles in een bepaald kader moest passen, en ramen ook nog een andere vorm konden hebben dan rechthoekig. Aspecten als dit geven het gebouw een unieke plek in de geschiedenis van de architectuur.

Vanuit die opvatting is een gebouw ontstaan dat zich ook nu nog, vijftig jaar later, alleen al onderscheidt omdat het buiten de rechte hoek durft te denken.

14.

Laten we buiten de rechte hoek denken.

Reageren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

  • “Public architecture is inherently political, and all the more so for embassies”, schreef architectuurhistorica Jane Loeffler in 2008 in Newsweek.
    Als er al ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe ideeën m.b.t. de voormalige Amerikaanse ambassade, neem dan de architectuur en datgene wat die representeert als uitgangspunt. Laat “Breuer” een ambassade zijn voor het ongerijmde, de periferie; laat het een veilige autonome zone zijn; oefen er nieuwe vormen van representatie; breng hier kunst in de politieke arena…..

    Precies 10 jaar geleden organiseerde Stroom Den Haag (destijds als Haags Architectuurplatform de voorloper van Platform Stad) een avond over de mogelijke herbestemming van de Amerikaanse Ambassade. Centraal stond de lezing van Jane Loeffler n.a.v. haar publicatie “The Architecture of Diplomacy”.
    Daarvoor, in 2005, stond de Dag van de Architectuur onder meer in het teken van een prijsvraag over de toekomst van de Amerikaanse Ambassade.
    En inmiddels is er in de bibliotheek van Stroom een enorme hoeveelheid documentatie verzameld over dit onderwerp vanuit een cultureel-historisch perspectief. Voor iedereen toegankelijk.

    Lang geleden is het denken over de toekomst van de eenmaal op te leveren ambassade dus al begonnen.

    Dat er nu, plotseling een zeldzaam moment is om iets werkelijk nieuws te laten ontstaan, zoals Helmling en Weijts schrijven, is retoriek.
    Retoriek die in dienst staat van een specifiek belang. Net zoals het idee van een Escher Museum een specifiek belang dient. Dat is niet erg constructief.

    Bij het ontbreken van een visie vanuit het stadsbestuur gaan eigenbelangen een rol spelen in het nadenken over de herbestemming van de Amerikaanse Ambassade, in plaats van het algemeen belang, al dan niet gekoppeld aan een inhoudelijk idee.

    Het betoog van Helmling en Weijts lijkt dan ook vooral bedoeld om het idee van een Escher Museum de pas af te snijden. Dat weerklinkt al uit de ongelukkige en volstrekt vrijblijvende naam “Paleis van de Verbeelding” die voor de nieuwe invulling gesuggereerd wordt. Immers, is niet elk kunstmuseum, elk theater een paleis van de verbeelding? En hoe heet het huidige Escher Museum ook al weer?

    Helmling en Weijts schrijven dat de ambassade “altijd een betonnen bunker achter hekken is geweest”. Jane Loeffler plaatst het ontwerp van Breuer in het naoorlogse bouwprogramma waarbij de Amerikaanse ambassades democratie als open en transparante bestuursvorm representeerden, en zich dienden te verhouden tot de lokale cultuur. Het waren vaak opvallende en soms controversiële bouwwerken die de Amerikaanse kunst, cultuur en politieke ideeën weerspiegelden. Het gebouw van Breuer was aanvankelijk publiek toegankelijk, de binnentuin kon men betreden, de bibliotheek en de filmzaal boden programma’s voor het Haagse publiek.

    Het gebouw van Breuer heeft inderdaad, zoals Helmling en Weijts schrijven, “alles in zich om uit te groeien tot iconische plek”. Maar laat het dan niet ten prooi vallen aan een nogal gezocht concept als het Museumkwartier. Verbind het niet met een voorbarig en complicerende notie als ‘museum’. Durf specifieker te zijn dan ‘de kracht van kunst’ en een plek voor verbeelding.